Roosenboom.jouwweb.be
Home » Herkenrode

         

There's a light, a very special light, never ever shone on me

Herkenrode

Herkenrode ontstond rond +/- 1182. Graaf Gerard I van Loon (1171-1194) schonk een stuk land van zijn eigen bezit met bossen en weiden aan monnik Hendrik van de abdij van Aulne. Hendrik moest er een klooster bouwen voor cistercienzerzusters. En twintig jaar later namelijk in 1213 bevestigde graaf Lodewijk II (1194-1218) de schenking van zijn vader. Gerard I was de zoon van Lodewijk I en Agnes van Metz. Hij was ongetwijfeld de belangrijkste vorst van Loon. Hij wist als geen ander zijn land tussen Brabant en Luik te bewaren. Hij ging twee maal op kruisocht en overleed in 1194 bij het beleg van Acco (Palistina), tijdens de derde kruistocht die onder leiding stond van keizer Frederik Barbarossa van Duitsland, Richard Leeuwenhart van Engeland en Philips August van Franrijk. Hij was de zesde graaf van Loon. Hij huwde een eerste maal met Maria van Gelre en een tweede maal met Adelheid van Oberfranken. Zijn beenderen werden gekookt en ontdaan van vel en ingewanden, en werden zo terug naar Herkenrode gebracht waar ze begraven werden.

Herkenrode werd ook de officiele begraafplaats van de graven van Loon. Zij werden allen vanaf Gerard I begraven onder de kerkvloer van de abdij, slechts één graaf werd er niet begraven. Dieterik van Heinsberg de vijftiende en laatste graaf van Loon stierf in 1361 te Stokkem, hij werd tijdens zijn ambsperiode in de kerkban geslagen en de abdis Beatrijs van Loobosch weigerde de graaf in de abdijkerk te begraven, de begravenisstoet trok toen naar Hasselt en begroef daar de graaf in de kerk van de Augustijnen in de Alderstraat, waar hij nog begraven ligt onder een plaat blauwe steen. De kerk is al lang verdwenen en tegenwoordig is er een boetiek gevestigd.

Loonse steden wensten de aanhechting Van het graafschap Loon bij Luik en dit om de democratische stadsrechten te kunnen invoeren. De Luikse bisschop nam vanaf vijf april 1361 de titel van graaf van Loon aan. Het Luikse Sint-Lambertuskapittel vreesde de aanhechting bij Brabant en wilde zo snel mogelijk Loon bij Luik. Luikse troepen vielen Loon binnen en bezette het grondgebied. Als autonoom vorstendom hield Loon op te bestaan. Arnold van Rummen maakte nog een tijd aanspraak op de grafelijke titel, hij was de raadsheer van de hertog van Brabant en wilde Loon bij Brabant voegen. Binnen het graafschap Loon vond Arnold van Rummen weinig steun en ook de Loonse gerechtshoven weigerden hem te herkennen als graaf. Arnold van Rummen zijn positie was hopeloos en toen het Luikse leger zijn kasteel te Rummen belegerden, moest hij al vlug zijn strijd staken. In 1366 werd de burcht te Rummen met de grond gelijk gemaakt. Op één en twintig september 1366 aanvaarde Arnold van Rummen de vrede met Luik.

In Luik heerste Adolf van der Marck (1313-1344) autoritair als prins bisschop, zijn voorbeeld was Filips de Schone hertog van Bourgondie, zij pasten het Romeinse recht toe wat inhield dat alle macht naar één persoon ging. Adolf wilde de patriciers en de ambachten onderwerpen. Adolf werd alsmaar meer gehaat in Luik. De Luikse steden vormden een coalitie tegen hem, zij kregen de steun van de adel. Er ontstond een gewapende opstand en de prins bisschop moest vluchten naar Brabant. Het kwam tot een confrontatie in Fexhe-Le-Haut-Clocher tussen de legers van de coalitie en de legers van de prins bisschop, beide legers kregen te kampen met hongersnood. Het kappitel van Luik stelde voor om te bemiddelen, waaruit de vrede van Fexhe (1316) voortkwam.

De vrede van Fexhe hield in dat iedere inwoner moet berecht worden door een gewone rechtbank, onschendbaarheid van de domicilie en eigendommen, verplichting van ambtenaren om burgers rechtmatig te behandelen en het recht van de burgersn zich te verdedigen tegen onrecht. De wetvoerend macht berustte bij de dre standen, de clerus, de adel en de steden. De prins bisschop bezat uitsluitend de uitvoerende macht. Nadat Loon bij Luik kwam werden de afgevaardigden van Loon bijgevoegd bij de adel en de steden. Het was de eerste grondwet die een bescherming bood voor de burgers. De basis voor latere grondwetten, een soort raad van staten.

Prins bisschop Erard van der Marck (1505- 1538) is één van de voornaamte prins bisschop van Luik geweest, hij werd geboren te Sedan in 1472, hij was de derde zoon van Robrecht van Sedan en was voorbestemd om carriere als kanunnik in Trier of Mets. Hij studeerde rechten aan de universiteit van Keulen en hij verbleef te Rome omstreeks 1500-1505. Op voorspraak van paus Julius XII werd hij benoemd tot kanunnik van de kathedraal te Luik. In 1521 kreeg hij de kardinaalshoed van keizer Karel V. Luik ligt tussen het gebied van de Habsburgers en de Franse koning. Erard zag dat Luik zwak stond en koos voor de Habsburgers (keizerrijk en de Nederlanden, Spanje en de Duitse keizer) en liet Frankrijk vallen. Erard probeert zijn macht uit te breiden maar houdt  ook de vrijheden van de burgers in stand. Hij bouwt het bisschoppelijk paleis op Place Saint-Lambert en laat Herkenrode verbouwen en het kasteel van Kuringen renoveren. Hij stierf op zestien februari 1538. Hij was een zeer bekwaam man, zijn bijnaam was Notger.

De vooraanstaande families van Loon vertrouwden hun dochters toe aan de abdij van Herkenrode, zij was de eerste vrouwenabdij in de Nederlanden. De abdij is echter nooit geen adelijke stift geworden, dit hebben de dames altijd tegen gehouden maar wel een klooster van cistercienzernonnen. Als wij de lijst van de abdissen bekijken, zien we alleen maar dochters van notable. Voorbeelden van namen zijn: de Lexhy, de Loobosch, de mombeek, van Kerkom, de Mettecoven, van Stein, de Riviere d'Arschot, de Merode, de Croy, van Schoonbeek. De abdij leefde alleen van giften en werd zo een ongelofelijke rijke abdij die zijn gelijke niet had in de Nederlanden. De adelijke dames leefden als prinsessen en hielden er een rijke hofhouding op na. Het wapenschild van de abdij is één goud rechtopstaande eenhoorn

 

                                                                                

 

 

 

De Koordames:

De juffrouwen werden door de abdis voor een proefperiode aanvaard tot het noviciaat. Na één jaar werd de juffrouw na goedkeuring van de commune toegelaten tot de professie. Deze jufrouwen moeten allen een stamboom kunnen voorleggen van acht generaties in de adel. Zij behoorden voornamelijk tot de Luikse adel. Hun dagelijkse bezigheden waren koorgebed en gehoorzaamheid, armoede en maagdelijkheid, deze laatste twee werden met een korreltje zout genomen.

De Lekenzusters:

Deze dames waren van gewone komaf hun voornaamste taak was zorgen voor maaltijden en onderhoud, een soort dienstmeiden. Zij zijn nooit in het slotklooster opgenomen. Zij moesten niet deelnemen aan de koorgebeden. In vergelijking met de koordames waren zij ver in ondertal. Zij mochten ook jaarlijks op familiebezoek.

De Abdis:

Zij werd door de koordames gekozen, zij had het geestelijk oppergezag en was onaantastbaar. Onder haar had je de priores deze had de leiding over het geestelijk leven. Daarnaast had je nog tal van meestressen, zols de economaat, de beursmeesteres, de keldermeesteres, de kosters, de zangmeesteres, de keukenmeesteres, de werkmeesters deelde de taken uit aan de lekenzusters en de meiden en knechten, de hofmeesters belast met de boerderijen en landerijen, de korenmeesteres belast met het innen der pachten.

Het dienstpersoneel:

Het dienstpersoneel bestond uit lekebroeders, borduurwerksters, kuipers, een portier, een klerk, hoveniers, een schapenherder, een koemeid en meerdere dienstmeiden. Het algemeen toezicht werd verricht door een priester, die de taak van rentmeester uithoefende.

De Goederen:

Zij lagen verspreid over het graafschap Loon, de Kempen, Nat en droog Haspengouw, en op de grens van Kempen en Haspengouw.

De Kempen:

Donderslag bij Wijshagen, Olmen bij Stokrooi, Bokrijk bij Genk, samen goed voor 653 ha. De abdij inde ook nog de tienden van Meldert, Stokrooi, Opitter, Bocholt, Viversel, Bolderberg, Wijshagen, Zolder, Zonhoven en Gerdingen.

Tussen Kempen en Haspengouw:

Tuiltermolen te Kuringen met boswinning, Aldenhoven bij Kuringen, Roeker en Phirenshoeve, Holsrakkershoeve teKermt. te Hasselt Terpoortenhoeve, samen goed voor 150 ha en daarbij kwamen de tienden van Kuringen, Kermt, Spalbeek en Hasselt.

Vochtig Haspengouw:

Schoonwinkel te Wintershoven, Grote hoeve te Kuttekoven, Groot Bibelen te Bilzen, de Kasselaarshoeve te Kozen en de Kroegsmolen te Vliermaal. Samen goed voor 400 ha grond. Tevens inde de abdij de tienden van Kuttekoven, Wintershoven, Wellen, Hoepertingen, Jesseren en Stevoort.

Droog Haspengouw:

De grote abdijhoeve van Opheers n de grote hoeve te Wilderen, zo’n 200 ha. De tienden van Othée, Rijkel en Wilderen, Corswarem, Mettekoven en Gotem. Daarbij bezaten zij in iedere gemeente nog grote percelen grond, zowel  bossen, weiland en akkers.

Refugiehuizen:

Herkenrode bezat drie refugiehuizen, één te Hasselt, één te St-Truiden en één te Maastricht. Gewone huizen bezaten ze nog in Kuringen, Zonhoven, Spalbeek en Stevoort. In verschillende plaatsen bezaten ze tienden- schuren, onder andere  te Hasselt, Maaschtricht, Sint-Truiden, Othée, Stevoort, Zonhoven en Spalbeek.

In totaal bezat de abdij zo ‘n 3.108 ha, een molen te Tuilt, één te Kuringen en de Croesmolen te Vliermaal. Het jaarlijks inkomen van de abdij werd geschat op  100.000 gulden, dit is een gigantisch bedrag, het grootste der Nederlanden. Veel van dit bedrag werd besteed aan liefdadigheid, vooral aan de armen en bedelaars die om brood en eten kwamen bedelen aan de abdijpoort. Per jaar deelde men een 50.000 broden uit. De abdij bezat ook het tiendenrecht van Zestien kerken, daardoor stond de abdij ook in voor het onderhoud van de kerk. De toren van de kerk was voor de gemeenschap en viel niet onder het onderhoud.

 

 

 

 

 

De Abdissen:

      

     Anna Catharina de              Aleydis Lechy               Anna Croy            Beatrix van Reckhoven      Augustine van

            Lamboy                      (1548- 1561)                       ( 1744- 1772)                                            Hamme

 

     

     Barbara  de Riviere            Catharina van Goer                Catharina van Goor            Catharina v Schoonbeek

           d’ Arschot                          (1561-1579)

                                                                           

    

      Claudia van Merode           Gertrudis van Mettekoven         Mathildis de Lechy           Margareta van Bergen 

                                                                                             (1520-1548)

 

De laatste jaren:

Tijdens de Franse Revolutie emigreerden de kloosterzusters naar Ratingen bij Dusseldorf in Duitsland. Drie zusters trokken zich terug op het kasteel van de familie Heusch.

In 1795 keerden de kloosterzusters terug naar Herkenrode. Zij werden opgewacht door zuster Lutgarde de Holthausen, zij was één van de drie achtergebleven zusters.

Op één september 1796 keerden de Fransen terug en schaften alle kerkelijke instellingen af. De abdij werd als nationaal domein verklaard, waardoor alle zusters met hun persoonlijke bezittingen moesten vertrekken.

De abdij werd verkocht samen met de gronden in Maastricht aan de hoogste bieder. De kloosterzusters kregen van de Fransen waardeloze assignaten voor meer dan 100.000 Livres. Als toen de zusters hun assignaten samen hadden gelegd, hadden zij de abdij terug kunnen kopen met het inruilen van deze assignaten. Pierre Liboton en Guillaume Claes kochten alles voor 94.000 livres. De abdij hield toen op met bestaan, eens de rijkste der Nederlanden en nu klaar voor de sloop. Liboton en Claes waren zakenmannen en starten tal van bedrijven in de abdij. De kerkschatten werden verkocht en de glasramen werden verkocht aan de kathedraal van Lichfield (Engeland) voor 200 pond. De glasramen werden gemaakt door de glazeniers Martin Tymus in Antwerpen en door Willem Speelbergh in Mechelen. Ze werden tussen 1532 en 1539 in de abdijkerk geplaatst. In 1826 ging de abdijkerk verloren door brand en de ruïne werd gesloopt in 1843.

 

Gotische Monstrans: van onschatbare waarde

 

Wellicht het beroemdste middeleeuwse voorwerp afkomstig uit de abdij van Herkenrode is deze gotische monstrans.

            

Uit de inscriptie op de voet blijkt ze gemaakt te zijn in 1286, in opdracht van priorin Heilewigis van Diest.
Daarmee is ze waarschijnlijk de oudste nog bestaande monstrans van de wereld. Momenteel bevind zich de monstrans in het stedelijk museum “De Stadsmus”. Vanaf 1327 werd ze gebruikt om de miraculeuze hostie te herbergen.

De abdij van Herkenrode kreeg vooral bekendheid door het Heilig Sacrament van Mirakel.
Volgens de legende gebeurden ertussen 17 juli en 1 augustus 1317 merkwaardige dingen in de omgeving van de abdij...

Het is gebuert in het jaer ons Heeren duysendt dry honderdt ende seventhien den 25 Juli datter in het dorp van Viverseel niet verre van Hasselt in het landt van Loon geleghen, was eene siecke man... aldus begint Pater Rumoidus Costerus in 1674 zijn Historie van het H. Sacrament van Mirakel.
Die dag werd de kapelheer van Viversel naar de Dickel geroepen om een zieke man de sacramenten van de stervenden toe te dienen. In de woning aangekomen plaatste hij de ciborie op de daartoe bereide tafel en ging in het nevenvertrek waar de zieke lag om hem voor te bereiden op het ontvangen van de sacramenten. Terwijl hij diens biecht hoorde, kwamen enkele mensen de eerste kamer binnen en onteerden de H. Hostie. Hoe schrok de priester, toen hij de ciborie ging halen, en de H. Hostie zag liggen naast de hostiedoos, gans bebloed en vastgekleefd aan het linnen. Hij sprak er met niemand over. Maar enkele dagen later ging hij naar de pastoor van Lummen om hem raad te vragen. Deze stelde hem voor om de bebloede Hostie te brengen naar de abdij van Herkenrode.

Zo ging hij op 1 augustus met de miraculeuze Hostie naar Herkenrode.
"Nauwelijks, is hij op enige afstand van de kapel in de stille heide gekomen, of de mirakelen openbaren zich, een ganse kudde schapen werpt zich op de knieën en geeft tekens van eerbied en aanbidding aan de verholen God die voorbij komt. Dit schijnt op een heuvel gebeurd te zijn welke daarom bij de inwoners Van Viversel in latere tijden de naam van Sacramentsberg heeft gekregen.
Bij de aankomst van de hostie in de abdij gebeuren er nog meer wonderen, de kerkklok begon vanzelf te luiden. Een kloosterling van de abdij van Aulne die de mis opdraagt, keert zich om en knielt zonder dat hij weet dat de onderpastoor binnenkomt. In de kapel verschijnt een mooie jongeling met een blinkende doornenkroon op zijn hoofd. Een vrouw door de duivel bezeten geneest...
De zusters van de abdij ontvingen de bebloede Hostie met de meeste eerbied. Er werd een sacramentstoren gebouwd waar het Allerheiligste werd ondergebracht.
Eeuwen lang was Herkenrode een bedevaartsoord. Vele mensen bezochten de abdij. Er gebeurde nog tal van wonderen. 

De devotie hield aan tot aan de afschaffing van de abdij. Jaarlijks werden er twee grote processies gehouden ter ere van het Heilig Sacrament. De eerste op Sacramentsdag en de tweede op 1 augustus, de verjaardag van de overbrenging van de hostie van Viversel naar Herkenrode. Via Hasseltse Augustijn en geschiedschrijver Mantelius weten we dat in de 17° eeuw de Augustijnen van Hasselt naar Herkenrode kwamen om de bedevaarders te helpen de Sacramenten te geven. Zulke verhalen werden in de veertiende en vijftiende eeuw meer verteld om bedevaarders te lokken en de offerblokken te vullen.

 

Grafmonument van Barbara de Rivière d’Arschot:

                      

Zolang je stilstaat, reiziger, beleef je hetgeen ik, Barbara de Rivière d'Arschot, die hier rust, beleefd heb. In mij is de «rivier» opgedroogd,in het jaar 1744, de negende dag van september. Ik ben geboren uit de vermaarde en oude stam van Heers, graven van het Heilig Roomse Rijk. In dit klooster ben ik tweeënzestig jaar zuster en zestien jaar abdis geweest. Nu ben ik stof, schaduw en as. Leer van mij dat je eenmaal dezelfde weg zult gaan en bid de levende koning, Onze Heer Jezus Christus, voor wie alles leeft, dat ik eeuwig in vrede moge rusten.

Dit marmeren praalgraf werd vermoedelijk in 1741 vervaardigd. Op 9 augustus 1803 werd het vanuit de abdijkerk van Herckenrode naar de Virga-Jesse basiliek overgebracht In de in de 18e eeuw vermeldt Jacobus Van der Sanden in zijn Oud Konst-Toneel van Antwerpen dit het mausoleum gebeeldhouwd werd door de Antwerpenaar Guillielmus Ignatius Kerricx (1682-1745). De auteur schreef het volgende in de levensbeschrijving van Kerricx:

Want syne Bouwkonst cierd dabdij van Everbode: Hij cierde ook de kerk der stift van Herckenrode; Syn marmere Grafstuk toond bij een door Quellijn; Hoe Christus uyt syns Graf Verrees in klaeren Schijn. Verder vermeldde hij in de voetnoten dat Dit cierelijk Praelgraf is gesteld in het jaer 1741 tot Herckenrode boven Diest liggende, ten aanzien van Antwerpen als boven waer een diergelyk is gemaekt door den Antwerpschen Quellinus.

Grafmonument: Abdis Anna Catharina de Lamboy (+1675)

             

Stop hier even, reiziger.
Ik heb tijdens mijn leven deze marmeren herinnering opgericht voor mij en jou. Je vraagt wie ik ben? Ik ben Anna Catharina de Lamboy aan wie God in zijn goedheid zesenzestig levensjaren geschonken heeft. Tweeëntwintig jaar lang heb ik het ambt van abdis bekleed. Tracht mijn afstamming niet te onderzoeken, want zij is samen met mijn leven vergaan. Geloof mij: ik ben een schaduw, want alles is vergankelijk, alleen het allerhoogste goed niet. Dit is het laatste wat ik je vraag, reiziger: bid voor mij, opdat ik de eeuwige God moge aanschouwen. Overleden op 2 november 1675.

Dit praalgraf is het werk van Artus Quellinus de Jonge (1625-1700). Anna-Catharina de Lamboy, de toenmalige abdis van Herkenrode, sloot op 18 juni 1668 een overeenkomst met hem. Waarin opgegeven werd welke figuren moesten gebeeldhouwd worden.Het kunstwerk kostte 2 800 Brabantse gulden en deze som werd in drie termijnen betaald. In de prijs werd ook de overbrenging van het kunstwerk per schip tot Halen voorzien. (De Demer was toentertijd niet verder bevaarbaar). Vandaar werd het praalgraf naar Herkenrode vervoerd op kosten en verantwoordelijkheid van de abdis. Dit marmeren praalgraf werd op 9 augustus 1803 vanuit de abdijkerk van Herkenrode naar de Virga-Jesse basiliek overgebracht.