Roosenboom.jouwweb.be
Home » Pastoor Roosen Albert

Pastoor Roosen Albert Hasselt 19/08/1915 - Hasselt 17/01/1996

   

  Albert Roosen         Kempische poort "tramhalte"      Noodkerk Banneux-parochie     Albert op ronde 

 

Albert Roosen werd geboren op 19 augustus 1915 en was het achtste en  jongste kind in het gezin Roosen-Vanstreels. De voornaam was voluit Albert-Karel-Leopold. Leopold was afkomstig van de naam van de echte peter, die  wegens de oorlogsomstandigheden belet was om bij het doopsel aanwezig te zijn. Karel was de naam van de vervangende peter, een vriend van vader  Roosen. Albert was afkomstig van koning Albert, Belgisch vorst in de  oorlogsjaren 1914-18. De ouders van Albert Roosen waren de uitbaters van het estaminet "Halte du Tram" en zorgden ook voor de tramhalte aan de Kempische poort te Hasselt.  Bij vele Hasselaren stond dit café ook bekend als "Bij Coenen", naar de  naam van de overgrootvader van Albert Roosen was afkomstig uit Borgloon. Na enkele jaren bakker te zijn geweest in Hechtel verhuisde hij naar de Demerstraat in Hasselt, waar hij tolbeambte was. Na het afbreken van de Poorten van Hasselt bouwde hij het ouderlijk huis van Albert Roosen op grond van de familie Willems op de hoek van de Kempische steenweg en de Martelarenlaan. Het café "Halte du Tram" of "Tramhalte" was een druk bezochte gelegenheid. Vooral op zon- en feestdagen was het er een echte overrompeling. Ook op de marktdagen was het er enorm druk. De hele stoep stond dan vol marktwaren, waaronder grote ronde korven met biggen, die de Kempische boeren op de markt hadden gekocht. Het café zelf bestond uit twee plaatsen : vooreerst het gewoon café en dan de zogenaamde tweede plaats waar de nonnen, paters  en pastoors op de tram wachtten. Achter het huis was er in de hof een schutterij. Vooral de meer gegoede burgers vonden gemakkelijk de weg naar het café "Halte du Tram" . Zo waren o.a. de consul van Holland en aannemer Daniëls er trouwe klanten. Deze burgers hadden ieder hun eigen pint. Dit waren pinten met een deksel waarop de naam vermeld stond. Voor deze pinten was een speciale plaats gereserveerd achter het buffet. Ook de gewone werkman was welkom in de "Tramhalte". Tijdens zijn jeugdjaren werd het café uitgebaat door de grootouders van Albert Roosen. Van zijn strenge grootmoeder mochten de kleine kinderen niet in het café komen. Als kind voelde Albert Roosen zich al aangetrokken tot de priesterroeping. En geregeld gebeurde het dan ook dat hij als kleine jongen voor zijn familieleden de 'mis' deed. Zijn zuster maakte de misgewaden en een oud koffer diende als altaar. En dan las Albert de mis... in het latijn. Pepermuntjes werden gebruikt als hosties. Ook het sacrament der zieken werd door de jeugdige Albert Roosen bezorgd aan zijn nichtje, dat de rol speelde van doodzieke parochiaan. Maar Albert Roosen beperkte zich niet tot het mis-spelen. Ook poppenkast en toneelspelen behoorde tot zijn meest geliefde aktiviteiten. Albert Roosen was niet de enigste uit het gezin Roosen-Vanstreels, die door de priesterroeping werd aangesproken. Zijn broer Jules ging Albert voor in het priesterschap. De kleuterschool volgde Albert Roosen bij de zusters Kindsheid Jesu. Hij zat in de betaalde kleuterklas en mocht spelen op de betaalde speelplaats. Aanvankelijk wilden zijn ouders Albert voor het lager onderwijs naar het college sturen. Maar na één dag wist Albert Roosen reeds dat hij hier niet kon wennen en de rest van zijn lager onderwijs volgde hij bij de Broeders van Liefde in de Bonnefantenstraat. Albert Roosen was een flinke leerling en in het vierde leerjaar had hij slechts tien punten tekort om maximum te halen. Van broeder Radfried kreeg hij een speciaal rapport. Na het vijfde leerjaar stapte Albert Roosen in 1926 opnieuw naar het college van Hasselt. Daar volgde hij eerst een voorbereidend jaar, ter vervanging van het 6de leerjaar. Alle lessen werden daar toen in het Frans gegeven, behalve wiskunde. Albert Roosen studeerde graag en veel, maar ging niet graag naar school. Tijdens zijn collegetijd was Albert Roosen ook voorzitter van de studentenbond "De Jonge Klauwaets"

Priesterroeping.

In 1933 vatte Albert Roosen zijn priesterstudies aan in het Klein Seminarie van Sint-Truiden, waar zijn broer-priester leraar was. Albert volgde hier twee jaar filosofie en kreeg les van o.a. E.H. Aubel en Mgr. Onclin. In 1936 trok Albert Roosen naar het Groot Seminarie te Luik. Tijdens zijn tweede seminariejaar (1937) moest Albert zijn soldatendienst vervullen. Hij was bij het "Centre d'Instruction de Brancardiers et d'Infirmiers" (Cibi) in het kamp van Beverloo. Tot 16 u. leerde hij allerlei verpleegtechnieken en na 16 u. gaf de aalmoezenier les. Begin 1938 keerde hij terug naar het seminarie maar werd opgeroepen voor de mobilisatie in 1938, doch na 14 dagen mocht hij terugkeren naar het seminarie om zijn studies voort te zetten. Tijdens het vierde jaar aan het seminarie werd hij opnieuw opgeroepen naar het regiment doch op 1 april 1940 werd hij weer gedemobiliseerd en keerde hij terug naar het seminarie ter voorbereiding van zijn priesterwijding.

De Oorlogsjaren.

Doch op 10 mei 1940 brak de tweede wereldoorlog uit en weer moest Albert Roosen zich bij zijn regiment vervoegen en moest hij zijn studies tijdelijk onderbreken. Albert Roosen verrichtte zijn militaire dienst als brancadier in 1937 en behoorde aldus tot de lichting 1937-38. Op 10 mei 1940 moest hij als wederopgeroepene zich bij zijn eenheid gaan vervoegen. Albert Roosen kwam als seminarist bij zijn eenheid te Eyck, Bilzen. Op 24 mei 1940 werd hij krijgsgevangen genomen te Nevele aan de Leie. Al de krijgsgevangenen langsheen die verdedigingslijn werden samen naar Gent gestuurd. Per dagreis te voet kwamen ze alzo via Dendermonde, Lokeren en Walsoorden op 29 mei aan de Schelde. De steenweg van Hulst tot Walsoorden was in volle lengte en breedte gevuld  met krijgsgevangenen. Langs de aanlegplaats te Walsoorden lagen  verschillende rivierschepen van kolenboot tot en met mooie plezierboten.  Maar dat waren er zeker niet genoeg om die stroom gevangenen te kunnen opnemen. Albert Roosen schoof aan voor de eerste boot "Bertha Fischer  Rotterdam" . Dit was een kolenschip en maakte deel uit van een konvooi van  vier. Donderdag 30 mei vertrok dit konvooi en 's avonds rond 19 u. botste  het tweede schip op een mijn. De reis werd stilgelegd tot ’s anderendaags  en op 1 juni kwamen de boten om 13 u. voor Nijmegen. Hier lagen de  opgeblazen bruggen in het water. 's Avonds om 20 u., bij hoogtij, konden de  drie overgebleven schepen verder. Alzo bereikte Albert Roosen op zondag 2  juni om 9 u. Emmerich, waar de krijgsgevangenen hun eerste stuk brood  kregen sinds de inscheping. Vervolgens werden de krijgsgevangenen in goederenwagons gestopt. De wagon waarin Albert Roosen werd geplaatst droeg de naam : Kassel 2962. Schokkend  en met vele haltes op zijsporen, kwamen de krijgsgevangen op 3 juni te  Neurenberg aan en mochten even uit de wagon. Daar kregen ze een tas soep.  Terug de wagon in en verder tot Regensburg. Weer even uitstappen, een kopje ersatzkoffie en terug de wagon in. Op 4 juni kwamen ze om 21 u. bij de  Donau in Krems. Dan te voet een steile helling op en zo belandden ze in  volledige duisternis in een omheind tentenkamp. Albert Roosen kwam terecht  in tent 24. Op 5 juni moesten de krijgsgevangenen naar een plaatsje dat Gneixendorf  heette. Wie nog iets van militaire uitrusting, geld, papieren en foto's  bezat, moest dit hier afgeven en nu pas voelde men zich als een louter  nummer en volledig ontdaan van zijn persoonlijkheid. Albert Roosen had  nummer 1266. Stalag XVII B was op een hoogvlakte gelegen en telde 45  barakken. Iededere barak telde ongeveer 300 krijgsgevangenen. Toen de groep  met Albert Roosen daar toekwam waren er nog veel Polen. Na een drietal  weken kwamen eveneens Franse gevangenen opdagen, alsmede Marokkanen,  Tunesiërs, Algerijnen en Senegalezen. Vanaf 30 juni werd het toegestaan om naar een zondagsmis te gaan buiten het  kamp in een opleidingskamp van Duitsers, een alf uur lopen vandaar.  Propagandanieuws over de oorlog en bezetting konden de krijgsgevangenen  moeilijk geloven. Nu en dan ontvingen ze een dagblad van hier ("Volk en  Staat"), maar daar konden ze evenmin van op aan. Correspondentie als ook  pakjes van huis bereikten hen zeer sporadisch. Albert Roosen ontving op 5  Augustus een eerste kaart van huis. Het meegedeelde nieuws dat niet al te  persoonlijk was, werd ook meegedeeld aan andere kampgenoten. Hoe schaars  het nieuws ook was, toch gaf het altijd wat moed om de ontberingen van  krijgsgevangenschap wat draaglijker te maken. Onder inpuls van Albert Roosen vormden zich groepjes seminaristen die  's avonds in de barakken het rozenhoedje gingen voorbidden. Verder zorgde hij ervoor dat 's zaterdags afwisselend ieder de gelegenheid had om te biechten bij een priester-krijgsgevangene. Ook onder impuls van Albert Roosen werd besloten in sommige barakken een noveen te houden ter voorbereiding van het feest van O.L. Vrouw Hemelvaart met als intentie behouden terug thuis te raken. Vanaf de maand augustus vertrokken uit het kamp veel krijgsgevangenen om zo gezegd bij de oogst te gaan helpen. Rond die periode werden de Duitssprekende gevangenen naar België teruggestuurd, alsook al de priestergevangenen. Voor Albert Roosen en zijn lotgenoten betekende 25 augustus een afvoer per camion naar Apfelschendt, nog dieper in Oostenrijk (230 km. van Praag en 81 km. van Wenen). Deze plaats was een dorp met leegstaande huizen, helemaal omgeven met prikkeldraad, waaromheen oude Tsjechische soldaten de wacht hielden. Middenin lag een klein kerkje, waarin iedere morgen een Belgisch priester-gevangene de H. Mis las om 6 u. Vanaf 26 augustus tot 25 september werden de krijgsgevangenen 's morgensvroeg door camions van de wegenbouwfirma "Via Nova" opgehaald om een lange nieuwe weg aan te leggen. Vervolgens werden ze tewerkgesteld als houthakkers, eerst in de onmetelijke bossen van Wurmbach en daarna van Edelbach. Op 26 oktober had het daar flink gesneeuwd en gelukkig mocht iedereen een bussel groen dennenhout meenemen om zich 's avonds te verwarmen. Zo dikwijls al had men de krijgsgevangenen stellig beloofd dat ze naar huis mochten, dat ze het ook ditmaal niet geloofden. Doch op dinsdag 3 december vertrokken ze te voet om 6 u. en kwamen twee uur later in Copfritz aan. Daar werden ze in beestenwagons gestopt en reden naar Krems. Allemaal zonder eten of drinken en in volledige duisternis stapten ze toen naar Stalag XVII B. Daar werden talrijke seminaristen en krijgsgevangenen van vroeger teruggezien. De krijgsgevangenen vernamen ook heel wat betrouwbaar nieuws, o.a. een brief van Mgr. Leroux, president van het groot Seminarie van Luik. Sedert 10 december vertrokken zowat 2000 krijgsgevangenen uit het kamp Stalag XVII B en op 13 december was het de beurt aan de groep met Albert Roosen om zowat drie uren in de decemberkou voor barak 4 te wachten en dan halfbevroren de gladde baan op te gaan naar het stadion van Krems. Daar kregen ze de beestenwagon "Kassel 60600" voor 35 man toegewezen. Zo verliep het ook een 300 medegevangen.Zondag 15 december om 16 u. kwamen ze in Warburg aan en dan ging de tocht te voet naar Dössel, waar ze in een officierenlager waren opgesloten. Toen ze in Krems vertrokken, hoopten de gevangenen met Kerstmis thuis te zijn. En inderdaad, op dindsdag 15 december moesten ze door de hoge sneeuw naar een nabijgelegen station, waar ze zomaar 8 u. lang tevergeefs stonden te wachten om dan weer te voet terug te keren naar Oflag VI B kamer 13. Niemand wist dat ze dit jaar én Kerstmis én Nieuwjaar in dat kamp zouden Doorbrengen.Maandag 6 januari 1941 vertrokken de krijgsgevangenen uit dit kamp naar Warburg over een afstand van 3,3 km. door hoge sneeuw. Daar werden ze in een Franse beestenwagon gestopt, ditmaal met 46 man per wagon, waarin 6 legerbanken en op de vloer wat stro. De snelheid was zeer afwisselend. De hele nacht botsen en hotsen en tegen de morgen kon men Soest lezen en werd er 12 u. halt gehouden. Het was dinsdag 7 januari 17 u. toen ze in het goederenstation Keulen aankwamen en voor de eerste maal even buiten de wagon mochten. Vanaf Keulen ging het dan in een razende vaart door de nacht en 's morgensvroeg hield de trein stil in Bokstel. Van een stationsbediende vernamen ze daar zeer discreet wat nieuws over de toestand in bezet Holland en ook België. Langs Breda, Rozendaal, Esschen kwamen ze om 4 u. aan te Antwerpen, waar ze in de wagon moesten blijven tot 8 u. 30. Vandaar in een kolonne naar het St.-Ignatiusgesticht, waar de krijgsgevangenen wederom zouden moeten verblijven tot ze zaterdag 11 januari 1941 om 9 u. hun vrijlatingspapier kregen. En nu per reizigerstrein van Antwerpen naar Brussel, waar door het Rode Kruis een diner werd aangeboden. De eerste de beste trein naar Hasselt werd genomen en om 18 u. 10 arriveerde Albert Roosen te Hasselt.

Zijn priesterwijding.

Na zijn krijgsgevangenentijd keerde Albert Roosen terug naar het seminarie om verder te studeren. Hij werd eerst tot diaken gewijd en op 4 mei 1941 werd hij door Mgr. Kerkhofs tot priester gewijd. Diezelfde dag nog werd hij door de bisschop benoemd tot surveillant-leraar au petit séminaire de St-Roch. Op 11 mei 1941 vertrok E.H. A. Roosen naar St-Roch. Daar gaf hij 15 uur Nederlandse les aan de 5de latijnse en surveilleerde daarbij nog een 40-tal uren per week. Omwille van zijn kleine gestalte stond hij hier bekend als "Le petit Roosen".

 Kapelaan te Kiewit

In de tijd dat E.H. A. Roosen nog leraar was in Saint-Roch, ging hij tijdens de vakantie op Kiewit de hoogmis zingen. Pastoor Hermans was toen daar de parochieherder. In 1949 kwam er in Kiewit een plaats vrij van kapelaan. Dat was de eerste, en ook de laatste maal, dat er een kapelaan kwam in Kiewit. Pastoor Hermans vroeg E.H. A. Roosen of hij de plaats wou. En E.H. A. Roosen stemde toe, na eerst de toestemming te hebben gevraagd aan zijn vader. Samen met zijn vader en zijn zuster Leona arriveerde de kersverse kapelaan Roosen dan in Kiewit, waar zij een gehuurd huis betrokken. De parochianen van Kiewit waren opgetogen met hun nieuwe kapelaan, temeer daar vele mensen hem reeds kenden van in zijn korte broek en zijn collegetijd. En reeds in Kiewit verraste E.H. A. Roosen menigeen met zijn onvermoede kwaliteiten. Zo was hij ook proost van de kajotters en toneelregisseur. Hij regisseerde o.m. "Het standbeeld van Napoleon, "Het testament van tante Trees" en "De rekruut". Maar tegen het meisjestoneel, de groep van Mathilde Van Oostveldt, kon hij met zijn kajotters het in de verste verte niet halen. Ja, hoe zoudt ge zelf zijn moest ge kiezen tussen opgeschoten en bovenlipbedonsde aankomelingen en die kersfrisse en die blozende Kiewitse vrouwelijke jonkheid ? De strijd was te ongelijk. Bij gebrek aan toneelzaal werd op bevel van de Ook buiten de parochie Kiewit, tot in het verre Banneux, ging de inmiddels opgerichte mannen-toneelgroep zijn kunsten gratis vertonen aan de daar verzamelde Vlaamse zieken. Bij gebrek aan toneelzaal werd op bevel van de aldaar dienstdoende pater één der binnenkapellen als toneelruimte ingericht. en dit tot grote ergernis van de zuster-kosteres. Als podium kon de kapelaan Roosen en zijn groep beschikken over een brede altaartrap, vlak voor het altaar. De kosteres had met een verontwaardigd gezicht inderhaast een breed doek voor het noodaltaar gespannen, zodat O.L. Heer de esbattementen slechts van uit de hemel kon gadeslaan.

Toneelspelen.

Het toneelspelen bracht wel wat zaad in de lege kajotterskas, maar pastoor Hermans rook ook van waar de wind kwam en eiste in het vervolg de ganse kas op na de vertoning. Daar het 's avonds nogal laat was om naar de pastorij te lopen, zou het geld 's morgens vóór de eerste mis ingeleverd moeten worden. En zo gebeurde het dat de kapelaan 's anderendaags na de vertoningen vóór de eerste mis het zuur verdiende geld ging bezorgen op de pastorie. Al het toneelgeld had hij in een oude sigarenkist gestopt en op zijn oude tweewieler trapte hij naar de pastorie. Maar halfweg begaf de bodem van zijn primitieve geldkoffer onder het gewicht van de kwartjes en halve frankskes. De hele inhoud viel kletterend en rinkelend op de grond en lag verspreid tot in het midden van de steenweg. En de kapelaan maar rapen en zoeken. Het zweet stond hem in de sokken. Een dik half uur te laat arriveerde hij op de pastorie, waar hij de geldkoffer voorzichtig aan huishoudster Treeske overhandigde. Ook op de jaarlijkse Vlaamse kermis kon kapelaan Roosen voor de nodige verrassingen zorgen. Zo hadden de veteranen of de zogenoemde "oude krakken" het in hun hoofd gehaald een fietswedstrijd in te richten vijfmaal rond de blok Vijverstraat-Slangenbeekstraat-Kempischesteenweg. 't Was een snikhete dag. Henri Eersels en Jeanske Reekmans lagen dadelijk al bij de eerste ronde op kop. " We gaan in de vijfde ronde wat verfrissing geven" zei de kapelaan en hij nam twee emmers water van elk dik acht liter. Jeanske passeerde het eerst en kon de verfrissing vermijden. Henri volgde hijgend op vijf lengtes en kreeg de volle acht liter pompwater zo hard tegen zich dat hij holderdebolder tot in het midden van de oude steenweg vloog. 's Zondags in de vroege namiddag was er ter gelegenheid van diezelfde Vlaamse kermis ook een veteranen-voetbalmatch in de weide tussen Reekmans en Awouters. En menige parochiaan heeft de kapelaan ervan verdacht de weideboer beïnvloed te hebben om drie dagen voor de bewuste match al zijn beschikbare koeien in de wei te jagen om een ' goed bespeelbaar terrein' te hebben. Maar ondertussen had men een nieuwe parochie opgericht achter de brug en alle omringende parochies moesten een deel van hun parochianen afstaan. Zo moest Kiewit er 750 afstaan, maar daardoor had pastoor Hermans nog maar 1050 parochianen en het ministerie vond dat onvoldoende om nog een kapelaan te hebben. De plaats van kapelaan werd afgeschaft en E.H.A. Roosen stond op straat. Natuurlijk werd het vertrek van de kapelaan in Kiewit ook gevierd. Doch van overheidswege kwam er geen schot in de afscheidsviering en tot in de laatste week was er nog geen afscheidsgeschenk afgesproken. De parochianen namen zelf initiatief in handen en besloten zelf een waardig cadeau te kopen. Men begon geld in te zamelen, doch het cadeau viel veel duurder uit dan men had verwacht en zo moest de kapelaan zelf zijn bijdrage leveren voor zijn afscheidsgeschenk.

Pastoor in de parochie O.L. Vrouw van Banneux.

Nadat tengevolge van de oprichting van een nieuwe parochie de plaats van  kapelaan te Kiewit was opgeheven, stond E.H.A. Roosen op straat. De  inwoners van de pas opgerichte parochie hadden graag E.H.A. Roosen als hun  parochieherder willen hebben, maar de mens wikt en God beslist. En op 28 januari 1951, 13 dagen na de officiële erkenning van de nieuwe  parochie door Z.E.H. Mgr. Kerkhofs, werd E.H.A. Roosen tot pastoor benoemd in de parochie O.L. Vrouw van Banneux. Een pastorie was er echter nog niet en verscheidene maanden woonde pastoor Roosen in de parochie Kiewit. De parochianen konden dit niet langer aanzien en stelden voor dat E.H.A. Roosen zijn woonst zou ruilen met de woonst van een ingenieur van de tram die in de parochie woonde. De parochianen bekostigden de verhuizing en alzo werd de pastoor ook een echte inwoner van zijn parochie. De officiële installatie van Z.E.H.A. Roosen als pastoor gebeurde op 22 april 1951, daags na de wijding van het noodkerkje door Z.E.H. Boelen. Aan de dekenij werd hij afgehaald met een prachtige stoet met muziek, praalwagens en groepen, te midden van een massa volk en prachtig mooi weer. Door de parochie Kiewit werd een kelk aangeboden ten persoonlijke titel. Dan volgde er een receptie in de noodlokalen. De jonge pastoor van de nieuwe parochie was eigenlijk een manusje-van-alles. Als de mensen wat aan de hand hadden, dan gingen ze naar pastoor Roosen, want ze wisten dat hij van Hasselt was en dus tal van belangrijke burgers kende. Moest iemand op het stadhuis zijn, dan ging hij naar pastoor Roosen, want die kende de secretaris goed. Voor werk, grond, invaliditeit, pensioen en noem maar op, pastoor Roosen wist altijd raad. En daar er in de beginjaren van onze parochie nog geen dokter was, was het meestal pastoor Roosen die bij de zieken werd geroepen. Momenteel kunnen we pastoor Roosen weer vieren : 40 jaar priester en 30 jaar parochiepastoor in weer en wind met de zo vele nevenfacetten :verpleger, sociaal kantoor, werkbeurs, proost en oprichter van alle parochiale verenigingen, bemiddelaar, koordirigent,  toneelregisseur, bedelpastoor, organisator van Vlaamse kermissen, mottocrossen en tentoonstellingen, uitgever van fonoplaten.